Zullen we ooit niet meer op vakantie gaan?
Future of travel

Zo. Het zit er weer op. Cees Columbus, Anita Vespucci, Mark Polo en honderdduizenden andere koppels en families zijn weer terug op het thuishonk. De zomervakantie is gepleegd. Voor velen staat deze Grand Tour nog steeds equivalent aan weken op het strand of aan het zwembad liggen.

Voor mij en mijn partner dit keer ook. Bewandelen wij meestal redelijk ongebaande paden, dit keer was de behoefte aan een keertje relaxen wat groter. Zal de leeftijd wel zijn. Dus de wandelschoenen maakten plaatsen voor teenslippers voor de dagelijkse trek naar het zwembad. Dat zich manifesteerde als méér dan een plek om alleen maar in te zwemmen. Liggend op een zonnebed aan de rand ervan en turend naar het kabbelende blauwe water gaan je gedachten aan de haal. Een reflectiebad zo je wilt. Hoeveel liters zonnebrandcrème smeren we wereldwijd tijdens de zomermaanden op onze lijven? Waarom bedankt onze kat nooit voor zijn eten? Waarom gillen kinderen altijd zo in een zwembad? Wat gebeurt er met de smurrie van toiletten in vliegtuigen wanneer die geleegd zijn?

En pats boem. Daar was ie opeens. De vraag der vragen. Beroepsdeformatie noem ik het maar even. ‘Zullen we ooit nooit meer op vakantie gaan?’ Op de manier zoals we dat nu doen. Is het denkbaar dat wij mensen het jaarlijkse ritueel van massale volksverhuizingen naar andere landen om daar bij te tanken ooit zullen nalaten. Niet vanwege terrorisme, nucleaire rampen of geldgebrek maar gewoon omdat de behoefte om ‘de batterij op te laden’ op een andere manier verwezenlijkt kan worden. Het is hééél denkbaar. Had je de koetsiers van postkoetsen in 1800 gezegd dat we ons ooit zouden gaan verplaatsen in gemotoriseerde koetsen die wel 200 kilometer per uur zouden halen, dan waren die van de bok getuimeld van het lachen.
Had je de gebroeders Wright in 1903 verteld dat de mensheid ooit in een vliegtuig zou stappen die zeker 13 uur in de lucht kan blijven hangen, dan hadden die twee je meewarig aangekeken. Ook Lucas Reijnders zinspeelt in zijn boek ‘Reislust’ op een veranderend reisgedrag in de toekomst:  ‘Reizen in het hoofd gaat een grote toekomst tegemoet. Dat komt enerzijds doordat de geografische mogelijkheden om iets geheel nieuws te beleven zijn uitgeput, terwijl het hoofd daarvoor nog alle ruimte biedt. Voor wie een stap verder wil, moet aan de drugs, een boek, video of internet.’

Toekomstbeeld. Je wilt aankomend weekend op een trip naar de maan. In de echte wereld duurt dat toch een dag of drie/vier. Het kan ook in 10 seconden: Door je VR bril op te zetten, in een gewichtloze ruimte te stappen en voilà de reis start. Door de ongekend spectaculaire beelden is de ervaring nog mooier dan in het eggie. Liever een dagje zonnebaden aan het strand in de Hawaï? Je stapt thuis in je Omniversum bad, zet de infraroodzon aan, zonnebril op en bekijkt op het ronde scherm de fabelachtige film met een surfer die net door een megagolf pakt die over jou heen dondert – alsof je het live ervaart. Of je hebt door de week zin in een Interstellar-achtige flydive (ja zonder ‘r’) door het heelal – je gaat naar de plaatselijke Injectable Travel Journey outlet en koopt daar The Ultimate Interstellar injectiespuit met bijbehorende ampul – goed voor één weergaloze trip – veilig en niet-verslavend. Wacht, je ziet in die outlet ook nog een vakantieneuronen-transmitterhoofdeksel in de aanbieding – sluit hem aan op je computer, zet hem op je hoofd en kies uit de miljoenen verplaatsingen (woorden als ‘reizen’ en ‘brochures’ bestaan dan niet meer) die je kunt maken. Verplaatsingen in het hoofd dus, niet van het lichaam.

Ja hoor. Lacht u mij maar uit. Maar over 100 jaar gaan we waarschijnlijk zo op vakantie. Of op manieren  die ik nu niet eens kan bedenken. Want op vakantie gaan doen we vandaag de dag toch wel heel primitief. Op vakantie gaan zonder een poot te verzetten. De aarde zal ons dankbaar zijn.